Blog

Beveiligd: NEUK GEEN NEUTER

De inhoud is beveiligd met een wachtwoord. Om deze te kunnen bekijken, vul het wachtwoord hieronder in:

Advertenties

Hoe ver moet de boel escaleren vooraleer een gemotiveerde student mag lesgeven?

Op dit eigenste ogenblik zitten op verschillende plekken in Vlaanderen leerlingen zich te vervelen in de studiezaal. Hun leerkracht niet-confessionele zedenleer is afwezig en de wanhopige directie vindt maar geen vervangleerkracht. Dat laatste is op zich niet verwonderlijk. Welke lesgever zou immers knetter genoeg zijn om zo’n interim van 2 à 6 uur per week aan te nemen? Hij zou al radeloos op zoek moeten zijn naar werk en verschillende van zulke interims moeten combineren om financieel het hoofd boven water te houden. (U raadt het al: het is een jammerlijke realiteit voor veel beginnende leerkrachten.)

Ergens in de buurt van het Gentse zit er ondertussen een student van de specifieke lerarenopleiding (SLO) niet-confessionele zedenleer die verwoed op zoek is naar zulke interim-opdrachten. Hij is ambitieus en koestert een droom die hij zo gauw mogelijk wil financieren. Bovendien is hij gepassioneerd door het lesgeven (wat zich tijdens zijn stages telkenmale heeft vertaald naar “uitstekende” les-evaluaties) en is daarom hyper-gemotiveerd om zo gauw mogelijk het onderwijs te betreden.

Er zijn tijden geweest dat dat wel anders was. Die student is namelijk belast met een genetische aanleg voor depressie, wat hem tijdens een eerdere stage al eens de das heeft omgedaan. Daardoor zijn de talrijke waarschuwingen die hij ontvangen heeft, vlak voor hij aan de SLO begon, in vervulling gegaan. Een kameraad die hem voorging, vertelde hem: “Ik heb me in mijn hele leven nog nooit zo afschuwelijk gevoeld als tijdens de SLO.” Een andere vriend, tevens een van de meest erudiete mensen die hij kent,  opperde: “Het was vreselijk. Tijdens mijn hele universitaire opleiding heb ik nooit een buis gehaald, maar in de SLO wel.” Die vriend resideert nu, tragisch genoeg, al enkele maanden in een psychiatrische instelling. “Ik ben zeker dat die SLO ertoe bijgedragen heeft,” vertrouwde hij eens aan zijn vriend op bezoek toe. Die ontboezeming deed hem achteraf denken aan een nog andere vriend die tijdens de SLO aan een burn-out bezweken is en nu officieel met een depressie kampt.

Het is een klein wonder dat er  nog studenten overblijven die gemotiveerd genoeg zijn om te willen gaan lesgeven. Iedereen die namelijk met de SLO in aanraking gekomen is, weet dat die voor veel studenten als een creatieve aderlating aanvoelt. “Ruimdenkende, gemotiveerde mensen worden er weggefilterd,” zei een van die bovengenoemde vrienden.  “Het enige wat je er leert, is hoe je bergen administratie in orde brengt.

Herinnert u zich nog die gemotiveerde student van daarnet? Zelf is die iets meer te spreken over de SLO dan veel van zijn studiegenoten. Desondanks is ook hij niet zo lang geleden verstrikt geraakt in de mallemolen van de administratie. En dan verwijst hij niet eens naar die 15 lesuren stage die hij ooit gegeven heeft, waarvoor hij een portfolio van 128 pagina’s heeft moeten neergepennen. Neen. Geïnspireerd door andere studenten die tijdens hun SLO reeds lesgaven (door bijvoorbeeld te tekenen voor een zogenaamd LIO-traject of beroep te doen op hun ‘andere bekwaamheid’), solliciteert hij namelijk sinds kort voor elke interim-opdracht die de VDAB hem toezendt. En wat merkt hij? De directeurs in kwestie zijn al weken (in sommige gevallen zelfs maanden) op zoek naar een interim-leerkracht en willen daarom niets liever dan de student in kwestie aannemen. Zodra ze zijn curriculum vitae echter naar de verantwoordelijke inspecteur opsturen, worden de directeurs consequent aangemaand om de student een afwijzing op te sturen.

Keer op keer belanden die weigeringen in mijn mailbox. Op dat moment is voor mij de maat vol.

Gefrustreerd bevraag ik me bij die medestudenten waarvan ik weet dat ze reeds lesgegeven hebben tijdens de SLO. Daarnaast raadpleeg ik ook mijn stagecoördinator en mijn cursus ‘De Leraar in School en Maatschappij‘ om mijn rechten als student-lesgever op te zoeken. Vervolgens trek ik mijn stoute schoenen aan, besluit ik om omfloerst taalgebruik achterwege te laten en schrijf letterlijk: “De inspecteur heeft geen enkele wettelijke basis om mijn aanstelling te weigeren op basis van gebrek aan lerarendiploma.

Even daarna ontdek ik dat hij dat, wegens een uitzonderingsregelgeving voor levensbeschouwelijke vakken, wel heeft.  Later ontdek ik dat op die uitzondering ook een uitzondering kan gemaakt worden, mits de ‘juiste hogere instanties’ gecontacteerd worden. Nog iets later ontdek ik bovendien dat mijn huidige statuut van ‘andere bekwaamheid’ kan opgewaardeerd worden naar een ‘voldoende bekwaamheid,’ mits ik  32 uur aan stagelessen heb gegeven tijdens de SLO en ik tevens in het bezit ben van een masterdiploma in de wijsbegeerte. Aan beide voorwaarden voldoe ik. “Maar dat moet je  administratief bekijken,” zegt mijn (uiterst behulpzame) praktijkbegeleider. Dat betekent: in de praktijk ben ik daar dus niets mee.

Hoe ik dat allemaal op zo’n korte tijd ontdekt heb? Wel, niet lang na het verzenden van mijn gepeperde e-mail ontving ik, geheel onverwachts, een telefoontje van de betrokken inspecteur. Hoogstpersoonlijk wou hij me melden dat hij “in 22 jaar nog nooit zoiets had meegemaakt,” en dan ook danig verontwaardigd was. Nu, op deze fase van mijn vertoog is het gepast dat ik een mea culpa sla en wat van de bescheidenheid aan de dag breng die ik tijdens het mailen noch het telefoneren heb opgebracht. Had ik een meer respectvolle toon moeten hanteren? Absoluut. Bovendien gebiedt de eerlijkheid me te zeggen dat ik weliswaar gepoogd heb om mijn rechten als student-lesgever te verdedigen vanuit mijn beste kennis van zaken, maar dat die desondanks gebrekkig was. Daarin ben ik ongetwijfeld tekortgeschoten. Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa.

Anderzijds stel ik me de vraag wie er wel nog aan de labyrintische wetgeving uitgeraakt; en als iemand daarin slaagt, of die dan niet doelbewust de redelijkheid de bovenhand laat nemen en besluit om de geest maar niet de letter van de wet te volgen. Case in point: de discussie met de onderhavige inspecteur loopt zodanig uit de hand dat ik diezelfde namiddag nog met twee andere inspecteurs aan de lijn hang, evenals twee overige directeurs, bovenop mijn huidige en voormalige praktijkbegeleiders. Tijdens die gesprekken worden er mij achtereenvolgens twee interims aangeboden, een job in het lager onderwijs (waar ik wellicht bevoegd noch bekwaam voor ben) en twee fulltime jobs. Dankbaar aanvaard ik een van die aanbiedingen, waarna ik word aangesteld. Onbegrijpend grinnik ik om de absurde ironie van die afloop. Oorspronkelijk werd ik door de bovenvermelde inspecteur niet eens bevoegd geacht om 2 uren per week les te geven. Nu tracht ik mijn leerlingen te inspireren tijdens een full-time interimopdracht.

Later, wanneer de storm in het waterglas gaan liggen is, besef ik dat ik (behalve mezelf, omwille van mijn onwetendheid en onbeschoftheid) niemand iets kwalijk kan nemen. Deze heisa valt niet toe te schrijven aan de radeloze directeurs die een verre van ideale kandidaat wouden aannemen. Allerminst kan ik de praktijkbegeleiders beschuldigen die alles op alles gezet hebben om me aan werk te helpen. Evenmin kan ik de verontwaardigde inspecteur blameren waarmee ik telefonisch onderhoud had. Die laatste paste slechts de wet toe – en die is een absoluut kafkaësk kluwen, gebaseerd op gedateerde principes.

De gevolgen van die wetgeving zijn alvast nefast en roepen heel wat vragen op. Ik heb onnoemlijk veel geluk gehad dat ik op de bijval van enkele welwillende inspecteurs, directeurs en stagebegeleiders kon rekenen. Maar hoeveel keer zou ik een afwijzing zonder uitleg ontvangen hebben, indien ik die welbepaalde inspecteur niet geschoffeerd had? Hoeveel sollicitanten hebben op die manier al de bons gekregen? Gaat er bij bepaalde ambtenaren geen belletje rinkelen wanneer de sollicitanten gemotiveerd zijn en de directeurs ontvankelijk, maar de wetgeving verhindert om de twee samen te brengen? Is die uitzonderingsregeling voor levensbeschouwelijke vakken vandaag nog verdedigbaar? Hoeveel student-lesgevers moeten er nog aan burn-out en depressie onderuitgaan vooraleer de ‘juiste hogere instanties’ maatregelen treffen? Hoeveel leerlingen moeten zich dit semester nog in de studiezaal vervelen? En hoe ver moet de boel escaleren vooraleer een gemotiveerde student mag lesgeven?

10 tijdloze adviezen van Epictetus voor een vervuld en productief leven

Zie je niet hoe noodzakelijk een wereld vol pijn en problemen is om een verstandig iemand om te scholen en er een ziel van te maken?” vertrouwde John Keats (1795 – 1821) ooit aan het briefpapier toe. Op weinigen is dat citaat zo van toepassing als op Epictetus (55 – 135). Verkocht als kindslaaf werd hij bijna dagelijks door zijn meester afgeranseld. Later  verwierf hij  zijn vrijheid in Rome. Daar stichtte hij een filosofische school, tot hij door keizer Domitianus verdreven werd en als banneling stierf in het Griekse Nicopolis.

Bij het lezen van Epictetus wordt meteen duidelijk dat filosofie voor hem geen louter theoretische bezigheid is. Integendeel, zij moet ons helpen om een leven te leiden dat voldoening schenkt. En mits de zoektocht naar wat het leven de moeite waard maakt een eeuwige opdracht is, zijn Epictetus’ adviezen ook vandaag nog van onschatbare waarde. Zijn totale nalatenschap vol levenswijsheid werd verzameld in  The Art of Living: The Classical Manual on Virtue, Happiness, and Effectiveness. Hieronder staan alvast mijn 10 favoriete adviezen voor een vervuld en productief leven.

  1. Vermijd de negatieve ingesteldheid van anderen

    Voor veel mensen is het spuien van negatieve commentaar hun tweede natuur, vooral op social media. Epictetus begrijpt waarom:  “De meeste mensen kennen maar één antwoord op een ieder idee: ze springen op de tekortkomingen, eerder dan de mogelijke verdiensten aan te duiden.” Bovendien is het verleidelijk om anderen bij te treden in hun klaagzang. Toch doe je niemand daar een plezier mee.

    Ten eerste wentel je jezelf in negativiteit, wat een slechte impact heeft op je eigen gemoedsgesteldheid. Ten tweede bevestig je daarmee andermans nefaste impulsen. Vooral onze vrienden moeten we dat besparen: “Een goede vriend neemt de misplaatste gevoelens van zijn kameraden niet over. We bewijzen onszelf én onze vrienden een grotere dienst door melodramatische reacties te vermijden.”

  2. Wie wijsheid nastreeft, trekt vitters aan

    Mensen die gepoogd hebben om zichzelf te verbeteren maar daarin gefaald zijn, geraken gauw verbitterd. Daarom zijn ze cynisch over hun eigen en andermans slaagkansen. “Als je een wijs leven probeert te leiden,” zegt Epictetus om die reden, “dan moet je bereid zijn om uitgelachen en veroordeeld te worden.”

    Oftewel, Haters gonna hate. Maar wees getroost, de aanhouder wint: “Wees standvastig, dan zullen dezelfde mensen die je uitgelachen hebben je later bewonderen.

  3. Sla voordeel uit alles wat je overkomt

    Iedereen krijgt tegenslagen te verwerken. In plaats van bij de pakken te blijven zitten, zegt Epictetus, moeten we zulke incidenten als een uitdaging zien om te groeien. Immers, “elke tegenslag is een kans om aan zelfonderzoek te doen en een beroep te doen op onze innerlijke capaciteiten.

    Enkel door herhaaldelijke uitdagingen en zelfoverwinningen kunnen we hogerop geraken. Door die mindset te cultiveren zien we op termijn in elke onverwachte wending of tegenslag een buitenkans: “Vooruitziende mensen kijken voorbij het incident zelf en kweken de gewoonte om er voordeel uit te slaan.”

  4. Definieer duidelijk wie je wil zijn

    Mensen zijn bang om zichzelf duidelijke doelen te stellen. Pas wanneer de lat gelegd is, lopen we immers het risico om er niet over te geraken. Maar wie zichzelf geen duidelijke doelen stelt, zal ook nooit concrete overwinningen behalen.

    Hetzelfde geldt ook voor onze persoonlijke ontwikkeling. Daarom zegt Epictetus: “Stop met vaag te zijn. Als je een uitzonderlijk persoon wil worden, dan moet je duidelijk de persoon definiëren die je wil zijn.”

  5. Vermijd de meeste populaire entertainment

    Dit (profetische) advies spreekt voor zichzelf: “Het meeste van wat voor  entertainment doorgaat is ondermaats en dwaas, en maakt misbruik van onze menselijke zwaktes. Maak geen deel uit van de meute die aan zo’n tijdverdrijf toegeeft. Je leven is te kort en je hebt belangrijke dingen te doen.”

    Zit daarom  niet zomaar hersenloos in de zetel te zappen of te scrollen op Facebook. Ga actief op zoek naar wat bijdraagt tot je zelfontwikkeling. Zo laat je je niets voorschotelen: “Wees kieskeurig over welke beelden en ideeën je in je geest toelaat. Als jij zelf niet kiest welke gedachten en beelden je toelaat, dan zal iemand anders dat in jouw plaats doen, en hun motieven zouden wel eens niet de hoogste kunnen zijn.”

  6. Selecteer je gezelschap zorgvuldig

    Op de meeste vlakken zijn we het gemiddelde van onze vriendenkring. Dat geldt niet enkel voor IQ of gewicht, maar ook voor de manier waarop we in het leven staan. Immers, “we imiteren de gewoontes van de mensen waarmee we omgang hebben.”

    Als je jezelf omringt met mopperaars, dan beland je zelf ook in een spiraal van negativiteit. En opgelet, zelfs mensen die het goed voorhebben kunnen een nefaste invloed hebben. Maak daarom de aartsmoeilijke keuze om iedereen met een negatieve impact uit je leven te bannen. “De sleutel is om enkel in het gezelschap te vertoeven van mensen die het beste in je naar boven brengen.

  7. Handel naar je idealen

    Het is gemakkelijk om idealen te koesteren. De moeilijkheid is om ze in concrete acties om te zetten. Hoewel Epictetus begrijpt dat dit beangstigend is, is zijn aanpak op dit vlak er een van no bullshit: “Zet je principes in actie om – nu. Hou op met excuses en uitstelgedrag. Dit is je leven! Je bent geen kind meer.”

    Besef goed, elk ideaal brengt verplichtingen met zich mee. Maak de overgang van wat je uit gemakzucht laat gebeuren naar wat je wéét dat je moet doen:  “Beloof om vanaf nu te stoppen met jezelf teleur te stellen. Beslis om uitzonderlijk te zijn en doe wat je moet doen – nu.”

  8. Alle begin is moeilijk

    Nieuwe ervaringen geven diepgang aan ons leven,” zegt Epictetus. Laat je echter niet ontmoedigen wanneer iets niet meteen lukt: “Heb de moed om iets te ondernemen en het gebrekkig te doen. Om iets goed te doen moet je de bescheidenheid hebben om eerst wat te stuntelen, je neus te volgen, te verdwalen, flaters te begaan.” Wees geduldig. Zoals het spreekwoord luidt: oefening baart kunst.

  9. Leer voor jezelf te zorgen

    Op elk moment bezit je de kracht om zélf een minuscule verbetering in je leven aan te brengen. Verwacht niet dat anderen het in jouw plaats doen. Wacht evenmin op een ‘magic bullet’ om iets van je leven te maken. Die is er niet. “Stop met elke nieuwe rage of goeroes na te jagen,” zegt Epictetus. “De laatste modieuze intellectueel of boek of dieet of religie zal je leven er niet op doen vooruitgaan. Dat doe jij zelf.”

  10. Bespreek belangrijke zaken nooit vrijblijvend

    Essentiële zaken laten zich maar zelden in 240 karakters omschrijven. En wanneer we ze simpel voorstellen om in een Tweet te passen, dan verliezen ze aan waarde.

    Wees bovendien niet naïef. Wanneer we onze belangrijkste inzichten  langs onze neus weg vermelden, dan zullen anderen ermee gaan lopen. “Anderen azen op jouw ideeën en spijzen er zich mee.” Bespreek dus jouw businessidee of levensplan enkel met mensen die je vertrouwt en wanneer je er uitgebreid op kan ingaan.

Als laatste gouden raad zou Epictetus ook aanmanen om zichzelf én lijstjes zoals deze te relativeren. “Een welvarend leven bereik je niet door 5 gemakkelijke stappen of een charismatische figuur te volgen.” Zeg dat Epictetus het gezegd heeft.

Schrijf georganiseerd en toch spontaan met deze 5 stappen

Wanneer G.R.R. Martin schrijfadvies geeft, dan loont het de moeite om de oren te spitsen. Voor de mensen bij wie die naam niet meteen een belletje doet rinkelen: G.R.R. Martin is de auteur van de boekenreeks Game of Thrones die aan de basis lag van de gelijknamige televisiereeks. Alleszins, toen de hedendaagse Shakespeare op een keer naar zijn schrijversproces gevraagd werd, antwoordde die als volgt:

“Ik denk dat er twee soorten schrijvers zijn, architecten en tuinmannen. Architecten plannen alles op voorhand uit, zoals een architect een huis plant. […] Ze hebben het hele ding ontworpen en uitgestippeld vooraleer ze zelfs maar de eerste plank vastnagelen. De tuinmannen graven een kuil, planten een zaadje en bewateren het. […] Maar wanneer de plant ontkiemt en ze hem bewateren, dan weten ze niet hoeveel takken hij zal hebben. Dat ontdekken ze later pas.”

Ondertussen prijkt deze quote op zowat elke schrijversblog, meestal ergens tussen de inspirational quotes. Je kent ze wel. Met slechts enkele snedige regels vindt de literair stemloze erdoor zijn innerlijke keelgeluid en de krabbelaar zonder cachet zijn persoonlijke stijl. Voor mij gold hetzelfde. Toen ik het citaat las, identificeerde ik me namelijk algauw als een rasechte architect. Als bewijs droeg ik daarvoor de enorme schema’s en maandenlange voorbereiding aan die ik investeer in het structureren van mijn romans. (Zie afbeelding.)

“En toch ben jij geen architect pur sang,” zei mijn vriendin op een keer.

“Waarom niet?”

“Akkoord, je steekt veel tijd in de blauwdruk van je verhaal,” zei ze. “Maar wanneer je  schrijft, dan laat je alles spontaan gebeuren.”

Na dat gesprek besefte ik twee dingen.

Ten eerste werken inspirational quotes op een slinkse manier. Wat ze namelijk niet doen, is ons tijdloze waarheden verkondigen. Eerder doen ze ons onszelf herkennen in een denkbeeld dat ze ons zonet zelf aangepraat hebben – als een lachspiegel die ons overtuigt dat we er altijd al zo uitgezien hebben.

Case in point: voor het lezen van bovenstaand citaat had mezelf nooit als een ‘architect’ omschreven, maar zodra ik Martins taxonomie der schrijvers aanvaard had, plaatste ik mezelf ogenblikkelijk in het kamp der schrijver-architecten. Op zich is er echter niets noodzakelijk aan die tweedeling. Bovendien staat het me volledig vrij om elke wereld te verzinnebeelden zoals ik dat zelf wil, zo ook de schrijverswereld. Die vrijheid is namelijk wat het betekent om schrijver te zijn.

Ten tweede besefte ik ook dat ik zelf een derde schrijfmethode hanteer die het midden houdt tussen ‘tuinman-schrijven’ en ‘architect-schrijven.’ Intussen ben ik deze  ‘moestuin-schrijven’ gaan noemen. Door deze techniek…

  • houd ik zowel mijn schrijfplanning als teksten zelf overzichtelijk.
  • verhoog ik mijn productiviteit.
  • structureer ik mijn schrijfproces, maar laat ik wel ruimte voor creativiteit.

Waarom ‘moestuin-schrijven?’ Simpel. Er is namelijk een onmiskenbare overeenkomst tussen de edele kunst van het moestuinieren en het efficiënt produceren van teksten. Laten we even een blik werpen op de vijf stappen van dat proces:

  1. STAP 1: BEWERK DE GROND. Zelfs de meest geniale ingeving zal niet tot bloei komen op brakke ondergrond. En zowel de menselijke geest als de lege pagina moeten zorgvuldig bewerkt worden vooraleer ze vruchtbaar worden. Daarom is het nodig om eerst te ploegen: overweeg alle plotmogelijkheden, overloop alle alternatieven, besprenkel die met de meest uiteenlopende research, enzovoort.
  2. STAP 2: LEG DE PERCELEN AAN. Zodra je verhaal vaste vorm gekregen heeft, wordt het tijd om te organiseren. Verdeel het geheel in hoofdstukken; deel die vervolgens op in kerngebeurtenissen; verdeel die op hun beurt in acties; enzovoort. Herhaal dit proces tot je aan de kleinste verhalende eenheid aanbeland bent. Schrijf deze achtereenvolgens op een lege pagina, in telkens één kernzin.
  3. STAP 3: LAAT DE NATUUR Z’N WERK DOEN. Tijd om te schrijven! Overloop de structuur die je in stap 2 hebt aangelegd en werk alle kernzinnen nu uit tot volle passages. Belangrijk: doe dit zonder te verbeteren of redigeren. Als je aan één stuk doorschrijft, dan vergroot je namelijk de kans dat je in flow belandt, waardoor je elke passage de kans geeft om spontaan en organisch te ontkiemen.
  4. STAP 4: SNOEIEN. Elke literaire tuin die net aangeplant werd, lijdt aan wildgroei. Ook onkruid tiert er welig, al wordt dat later pas zichtbaar. Snoei daarom enkele weken later alle overbodige verwoordingen weg, hak in op nutteloze adjectieven, verwijder afleidende uitweidingen met tak en wortel, enzovoort.
  5. STAP 5: PLUK DE VRUCHTEN! Proficiat, je hebt een overzichtelijk en toch weelderig literair meesterwerk geproduceerd!

Als er een betere manier van schrijven is, dan heb ik die alvast nog niet gevonden. Misschien gaan daarom moestuin-metaforen al eeuwenlang mee. Voltaire wist het alvast in Candide (1795): “Il faut garder son jardin.”

Had je die nieuwjaarskater echt verdiend?

Naar aloude traditie had ik ook dit jaar een kater op 1 januari. Gelukkig was hij niet half zo moordend als die mastodontische kater van twee jaar geleden. Toen smeekte niet enkel ikzelf dat mijn leven zou eindigen; ook mijn familieleden waren de fase van het leedvermaak voorbij en wensten me de zoete verlossing van de dood toe. Het (lees: ik) was dan ook werkelijk treurig om aan te zien. Daar zat ik – hangend in de zetel, met bibberende ledematen, ongeschoren porno-snor (het oudejaarsthema was ‘maffia’), zweetparels op het voorhoofd en bloeddoorlopen ogen. En als die preseance mijn hoofd-verpulverende kater nog niet verraden had, dan nam het feit dat ik de smeuïge kaaskroketten van oma gewillig liet passeren wel alle twijfels weg.

Dit jaar had ik me voorgenomen om verstandiger te zijn. Maar ‘verstandig-er’ betekent uiteraard nog niet ‘verstandig’ – laat staan ‘wijs.’ Al moet ik wel zeggen dat ik wel op tamelijk wijs elan begonnen was. Het derde glas cava liet ik alvast aan me voorbijgaan, ondanks het aandringen van de gulle Ganymedes van onze feestbende. De ironie wil dat ik, tussen dat zeldzame moment van mentale weerbaarheid en het ogenblik dat de dranksluizen onherroepelijk opengedraaid werden, een interessant gesprek had over de ‘inherente rechtvaardigheid van katers.’

“Wist je dat er in Australië een bier gebrouwen wordt waar je geen kater van krijgt?” vroeg ik aan een tafelgenoot. “Blijkbaar doe je daar een poedertje bij, en – poef! – weg kater!”

Mijn gesprekspartner beaamde dat. Hij gaf me zelfs een korte introductie in de werking van het bier. (Altijd handig om bio-ingenieurs in je vriendenkring te hebben, zeker wanneer ze ook nog eens bier-aficionado’s zijn.) Het bier in kwestie wordt geproduceerd aan het Griffith University’s Health Institute. Blijkbaar zorgt de toevoeging van electrolyten ervoor dat ons favoriete gerstenat tot drie keer meer hydrateert, waardoor het katergevoel verdwijnt. (Het werkt trouwens ook omgekeerd. Alcohol is vocht-onttrekkend en produceert zodoende een kater. Maar mocht je In Death valley omkomen van de dorst, dan zal dat óók met een katergevoel zijn. Dat moet sowieso ergens in de top 10 van “worst deaths imagineable” thuishoren.)

“Zou jij dat bier drinken?” vroeg ik aan mijn tafelgenoot.

“Als ik daarmee een zware kater kan vermijden, waarom niet?”

“Wel… Vind je niet dat er een soort rechtvaardigheid vast hangt aan het hebben van een kater? Je zakt goed door, en de dag erna voel je je kut. Is dat niet verdiend?”

“Goh… Als ik mag kiezen tussen kater en geen kater, dan toch liever geen kater.”

Het betaamt een bio-ingenieur natuurlijk om de maakbaarheid van katers te verdedigen. (Zowel van echte als het post-drankorgiastische soort, beeld ik me in.) Zelf dacht ik achteraf nog eens na over m’n uitspraken, zoals het een filosoof dan weer betaamt. Immers, waarom zou op elke buitensporige avond ook een dag van koppijn moeten volgen? Kan een positieve ervaring, hoe excessief ook, niet gewoon op zichzelf staan? Bovendien, waarom zou de kosmos z’n morele boekhouding zo moeten bijhouden dat op het einde van de rit de teller op ‘0’ komt te staan? Of in morele termen: op neutraal? Wat noopt de kosmische weegschaal van rechtvaardigheid om in balans te blijven?

Niets, vrees ik. Al zouden wij dat natuurlijk wel graag willen. Mijn filosofiestudies indachtig, besef ik dat ik ten prooi ben gevallen aan de zogenaamde ‘just world hypothesis’: de aanname dat iedereen altijd oogst wat hij zaait. Noem het een bias of vooringenomenheid – het is een manier van denken die in alle tijden voorkomt. Denk bijvoorbeeld aan de idee van ‘karma’ of de zonet gebruikte Bijbelse uitspraak: “Je oogst wat je zaait.”

Uiteraard is dat niet altijd het geval. Sommige mensen doen vreselijke dingen en ontvangen daarvoor hun gepaste straf niet. En vice versa overkomen goedhartige mensen soms de onrechtvaardigste catastrofes. Kortom, op de keper beschouwd is de wereld natuurlijk niet rechtvaardig. Dus misschien, héél misschien, was mijn kater dat evenmin. Immers, zolang ik me amuseer en onderweg geen bloembakken onderkots, wat is er dan mis met cava (en wijn, en Jupiler, en Préaris Quadrupel, en Orval, en whisky-shotjes, enzovoort) naar binnen kielen tot ik vloeiend Kazachs spreek?

Gelukkig zijn er nog red-middeltjes waardoor we de balans der rechtvaardigheid zelf weer kunnen herstellen: ‘anti-katermiddeltjes’ heten die. 3 à 4 volle glazen water voor het slapengaan doen alvast wonderen, dixit een jarenlange ervaringsdeskundige die wenst anoniem te blijven. Een stevig ontbijt met 3 dikke sneden brood, 4 eieren, een liter water en een banaan kan ook geen kwaad. Zelfs wanneer het geen nieuwjaar is. Proost!